De functioneel beheerder en BiSL®

Voluit is de titel van het boek ‘De functioneel beheerder en BiSL®, best practices voor het uitvoerend niveau van BiSL®’. Dit boek geeft zoals de naam als zegt een uitgebreide toelichting op de processen op het uitvoerende niveau van het 3-lagen BiSL® framework. Naast de verdiepende behandeling van de processen worden ook onderwerpen behandeld die niet direct tot het BiSL® framework behoren, maar wel zeer bruikbaar zijn voor de dagelijkse praktijk van de functioneel beheerder. Enkele voorbeelden van de aanvullende onderwerpen zijn checklists en kritieke prestatie-indicatoren om de kwaliteit van het werk te kunnen beoordelen. Elk hoofdstuk bevat een overzicht van de meest belangrijke kritieke prestatie-indicatoren van de behandelde processen. Om de opgedane kennis te toetsen zijn er bij elk hoofdstuk meerkeuzevragen toegevoegd. Een van de reden voor het groeiend belang van businessinformatiemanagement is de toename van outsourcing van automatisering aan externe serviceverleners. Om deze serviceverleners aan te kunnen sturen is het nodig dat de gebruikersorganisatie zich organiseert en de kennis heeft om de regie tussen vraag en aanbod in te vullen.

Businessinformatiemanagement heeft de kennis en de kunde om deze rol vervullen. Voor de serviceverlener is het prettig om een goede gesprekspartner te hebben. Het boek beschrijft de processen en handvatten aan de hand van het BiSL® procesmodel vanuit de rol van functioneel beheerder op uitvoerend niveau en geeft een beknopte toelichting op de processen van het sturende en richtinggevende niveau.

De hoofdstukken

Hoofdstuk 1 beschrijft de plaats van businessinformatiemanagement in de organisatie aan de hand van het Negenvlakkenmodel van Rik Maes en de relatie met de beheervormen Applicatiemanagement en IT-infrastructuurmanagement/IT-servicemanagement waarbij ASL® en ITIL® als framework gebruik worden. Het hoofdstuk geeft antwoord op de vraag wat er van een functioneel beheerder verwacht mag worden en welke competenties voor deze rol of functie van belang zijn.

In hoofdstuk 2 wordt de procesbenadering en de organisatie en invoering van processen uit de doeken gedaan en wordt de samenwerking en relaties met de andere beheervormen nog dieper uitgewerkt. Ook de relatie tussen de uitvoerende en de sturende en richtinggevende processen komt aan de orde. Tenslotte is er aandacht voor de invoering en inrichtingsvormen van businessinformatiemanagement waaronder centraal en decentraal businessinformatiemanagement.

In hoofdstuk 3 worden de procesclusters Gebruiksbeheer en Verbindende processen op uitvoerend niveau behandeld. Bij het proces Gebruikersondersteuning zijn verschillende call-afhandelingen beschreven zoals de centrale call-afhandeling en de decentrale call-afhandeling. De werking wordt uitgelegd met behulp van flowcharts en zwembaandiagrammen. Ook de relatie met gelijksoortige processen van ITIL® en ASL® wordt uitgelegd. Bij het proces Wijzigingenbeheer zien we de uitleg in de vorm van een flowchart geplaatst in een zwembaandiagram waarin te zien is welke andere processen daarbij betrokken zijn. Het hoofdstuk wordt afgesloten met de onderwerpen Documenteren en Informatiebeveiliging en het belang hiervan voor de organisatie en de rol van de functioneel beheerder hierin. Deze onderwerpen vormen extra gereedschap voor de functioneel beheerder.

Hoofdstuk 4 behandelt het procescluster Functionaliteitenbeheer. Behalve de processen die daarin een rol spelen zijn er extra onderwerpen aan toegevoegd die van belang zijn in dit cluster zoals het verloop van de levenscyclus van informatiesystemen, de incrementele en evolutionaire projectaanpak en softwareontwikkeling met de agile-aanpak. Bij het proces Specificeren is aandacht voor het opstellen van functionele en niet-functionele requirements, businessrequirements en systeemrequirements. Bij het proces Toetsen en testen wordt ingegaan op de diverse testsoorten in het V-model en de rol van businessinformatiemanagement hierin. Het hoofdstuk wordt aangevuld met nog een aantal praktische zaken als projectmatig werken, de business case, de projectorganisatiestructuur, traditionele- en agileprojecten. Ter afsluiting nog de ins- en outs van releasematig werken en de aanpak voor het kiezen van een standaardpakket.

Vanaf hoofdstuk 5 komen er allerlei best practices aan de orde die in het werkveld van de functioneel beheerder zeer bruikbaar zijn. Dit hoofdstuk beschrijft een aantal technieken die voor een deel de gereedschappen vormen voor IT’ers, maar ook voor een deel van nut kunnen zijn voor de functioneel beheerder. Met de kennis van deze technieken wordt het communiceren met IT’ers een stuk makkelijker, zeker gezien vanuit het procescluster Functionaliteitenbeheer. De behandelde technieken en methoden zijn procesmodellering met IDEF0, functionele eisen modelleren met use cases, de activiteitendiagramtechniek, business process modeling, de klassendiagramtechniek, de toestandsdiagramtechniek, de entity relationship diagram-techniek en dataflow diagrammen. Technieken die gebruikt kunnen worden bij het proces Toetsen en testen zijn verschillende structuurtesten waaronder de volumetest, de stresstest en de beveiligingstest. Verder nog verschillende soorten functionele tests en testspecificatietechnieken zoals error guessing, grenswaardeanalyse en beslissingstabellen.

Als laatste hoofdstuk gaat hoofdstuk 6 in op een aantal best practices in de vorm van checklists en templates en een functieprofiel voor de functioneel beheerder. De checklists bevatten onderwerpen en aandachtspunten die van belang zijn bij bijvoorbeeld een wijzigingsvoorstel, een vooronderzoek, een functioneel ontwerp en onderwerpen die van belang zijn om op te nemen in testdocumenten. Ter afsluiting nog een aantal interessante onderwerpen over hoe de kwaliteit van software beoordeeld kan worden aan de hand van de norm ISO/IEC 25010: system and software quality model.

Plaats een reactie